Katoen of polyester gekamde of gekaarde katoen?

Tricotstoffen

De meeste shirts, polo's en sweaters zijn gemaakt uit tricot (gebreid materiaal). Er zijn verschillende soorten steken die de tricot maken. Een goede tricot is niet alleen afhankelijk van de soort steek maar ook van het soort materiaal

De eindkwaliteit van het doek is niet alleen afhankelijk van de breisteek, maar ook van het soort garen en de deling (aantal naalden van de breimachine). De dichtheid van de stof wordt bepaald door het garennummer (dikte) en het aantal naalden van de machine (deling). Hoe hoger het nummer hoe fijner de stof. Daarnaast speelt de mate van veredeling (finishing) van het doek een zeer belangrijke rol. Katoen vergt betere en intensievere behandeling dan mengkwaliteiten. Stofgewichten worden veelal aangeduid in grams per vierkante meter.
Een onderscheid wordt gemaakt tussen rondgebreide stoffen en vlakbreistoffen. Rondgebreid zijn veelal T-shirts, poloshirts en vaak sweatshirts. Vlakbreistoffen worden vaak gebruikt voor wintertruien, damesbonnetterie en ook sweatshirts. Voorbeelden van rondgebreide stoffen zijn: single jersey, pique single jersey, interlock, american fleece en polar fleece. Dessineringen in allerlei variaties verkrijgt men met jaquard stoffen. Een goedkopere optie voor gedessineerde stof is bedrukte dessins.


Stofkenmerken tricot. 
Single jersey. De buitenkant heeft een recht patroon, de binnenzijde is een duidelijk verkeerde kant. Deze wordt veel gebruikt voor T-shirts. Reliëf/Pique en Ottoman. Door de steken in verschillende naalden te variëren krijgt men een structuurpatroon (reliëf) Hiervan zijn vele variaties, waarvan pique de meest voorkomende is. Interlock. Deze kan het beste vergeleken worden met twee samengebreide ribstoffen. Het doek is echter gladder, compacter en minder rekbaar. De goede (rechtse) en verkeerde (linkse) kant hebben beide rechte strepen en zien er nagenoeg hetzelfde uit.
American fleece. Er zijn twee kwaliteiten in de rechtse zijde van de stof, namelijk een 2-draads en 3-draads. De 3-draads variant heeft een rustiger beeld en wordt veelal voor wat zwaardere stoffen gebruikt. De buitenzijde lijkt veel op interlock, doch de binnenzijde vertoont een lussenpatroon. De buitenzijde wordt vaak met een ander garen gebreid dan de binnenzijde. Bijvoorbeeld een buitenzijde in 50% katoen en 50% polyester voor goed kleurbehoud en acceptabele krimpresultaten en een binnenzijde met een goedkopere katoensoort. Deze katoensoort (vaak open end garen) kan dan gemakkelijk geruwd worden. Het ruwen van de stof is een optionele behandeling welke men kan kiezen om de stof aan de binnenzijde zacht te maken en het doek meer volume te geven. Het doek kan dan meer lucht bevatten en isoleert daarom beter tegen de kou. Bij het ruwen wordt het doek d.m.v. cilinders met stalen pinnen er op in feite kapot geborsteld. Hierdoor ontstaat ook vaker de pluis aan de binnenzijde. Een goede nabehandeling vermijdt pluis grotendeels.
Ribstof. Veel voorkomend zijn 1:1 rib. Dit betekent dat er een naald rechts en een naald averechts gebreid worden. Vaak laat men een draad elastisch garen meelopen voor een goed herstel van de rek. Ribstoffen worden veel gebreid voor boorden aan hals, mouwen en taille.
Kragen. Bij poloshirts en polosweatshirts worden vaak kragen uit vlakbreistoffen gebruikt. Kleur- en kleine reliëfvariaties zijn hierbij mogelijk.


Geweven stoffen
Deze stoffen worden gemaakt op een weefgetouw (weefmachine). Het weefsel bestaat uit een 2-draadssysteem, de schering (draden in de lengterichting, ook ketting genoemd) en weefdraden (draden in de dwarsrichting, ook wel inslag genoemd). De schietspoel/draadvoerder wordt aan de ene kant erin gestoken en aan de andere kant opgevangen, waardoor de stof geweven wordt. De structuur van het doek hangt deels af van de binding(manier van weven) maar ook deels van het gebruikte garen. De meest voorkomende bindingen zijn. Recht geweven ofwel platbinding, bijv. poplin en Keper, een soort visgraatpatroon. Dit vertoont altijd schuine strepen in het patroon. In het Engels wordt deze binding Twill genoemd.
Canvas, een recht geweven stof van zeer grof garen.
Fil á fil, een recht geweven stof, waarbij fijne draden in verschillende kleuren het weefsel extra glans geven.
Oxford, een recht weefsel met dubbele draden.
Geweven stoffen worden in hoofdzaak gebruikt voor overhemden, jacks, werkkleding als overalls en dergelijke. Een geweven stof is veel minder rekbaar dan een tricotstof.


Modelbegrippen
Button down. De boord van een overhemd heeft twee zichtbare knopen, welke de kraagpunten op hun plaats houden.
Button under. Idem doch de knopen zitten niet zichtbaar onder de boordpunten.
Wijde boord. Een bredere uitvoering van de hemdboord bedoeld voor stropdasgebruik. De punten zijn meer van elkaar verwijderd.
Staander. De extra strook onder het boord van de kraag.
Blinde sluiting. Knopen aan voorzijde niet zichtbaar.
Opgestikte zak. De gehele borstzak is zichtbaar aan buitenzijde van het model.
Paspelzak. De zak is aan binnenzijde van het model verwerkt, zodat alleen de zakopening zichtbaar is.
Schouderband. Een extra lint meegenaaid ter versteviging van de schoudernaden.
Naden getaped. Een extra bewerking van de naden, zodat deze niet lekken ook al is de stof zelf waterdicht. (bij geweven stoffen) Split. Kleine openingen aan zijkant van taille.
Gezoomde taille. De onderkant is omgenaaid zonder gebruik van ribboorden (bij tricot).


Overige stofbegrippen
Gekaard. Alle katoen wordt gekaard om het te reinigen en dode/onrijpe katoen te verwijderen en om evenwijdige vezels te krijgen. In vergelijking met gekamd garen is de gekaarde katoen grover en onregelmatiger.
Gekamd. De korte vezels uit de katoen zijn verwijderd en de overige zijn goed evenwijdig gemaakt. Dit garen is sterker en regelmatiger.
Ringgesponnen. Dit garen is zachter, gladder en heeft meer glans.
Gemerceriseerd. Het garen of de stof (of beide) worden behandeld in een bad van natronloog. De effecten zijn een hogere glans, een beter vermogen om kleuren op te nemen en te behouden, een sterker doek en minder krimpgevoelig.
Geborsteld, geruwd, gepeached, brushed. Benamingen voor het zachter maken van het doek.
Easy care. Een chemische behandeling van geweven stoffen om beschadiging na het wassen te voorkomen.
Kreukvrij. Een chemische behandeling van geweven stoffen, zodat deze na het wassen minimaal gestreken hoeven te worden. Naarmate meer gewassen wordt, zal het effect iets afnemen.
Coating. Chemische behandeling veelal om doeken technisch te verbeteren, bijv. water- of vuilafstotend maken.


Aanbrengen logo's, vignetten en afbeeldingen
Bedrijfsnamen, logo's, vignetten en dergelijke kunnen op verschillende wijzen aangebracht worden. De meest voorkomende geven we onderstaand weer.
Zeefdrukken. Inkt wordt tussen en op het materiaal aangebracht. Vaak de meest goedkope oplossing, doch niet bij alle kleding te gebruiken.
Transferprint. Wordt door middel van hitte op de stoffen aangebracht. Vaker gedetailleerder resultaat, doch kwaliteit moeilijker te garanderen vanwege diversiteit in stoffen en coatings.
Flockprint. De print wordt verwarmd en kan op veel verschillende materialen worden aangebracht. De levensduur is beperkt door slijtage. Details zijn moeilijk te verwerken.
Sublimatieprint. Deze print is alleen mogelijk op witte 100% polyester stoffen. De afdruk van de print wordt door een chemische reactie geheel in het doek opgenomen en is niet meer voelbaar. De print is onverslijtbaar. Barsten, loslaten of scheuren is niet mogelijk.                                                                                   Badges. In allerlei varianten te produceren. Vaak zijn grote aantallen /> vereist om een redelijke kostprijs te realiseren. Voorbeelden van bagdes. Geweven, geborduurd, uit plastic, leer of andere materialen. Badges kunnen vaak altijd naderhand aangebracht worden.

Borduringen. Veelal de meest fraaie oplossing. De stoffen worden geheel doorstikt in soms een veelvoud van kleuren. Niet alle fijne/precieze afbeeldingen kunnen zo gedetailleerd als bij een print weergegeven worden. Grote vlakken zijn relatief duur t.o.v. prints.


Wassen en drogen
In eerste instantie dienen de aangebrachte instructies altijd gevolgd te worden. Nieuwe kleding altijd eerst enkele keren separaat wassen. Er kunnen namelijk reststoffen van de verving vrijkomen, welke andere kleding of anders gekleurde delen van het artikel doen verkleuren. Indien u twijfelt is op de hand wassen voorzichtigheidshalve aan te bevelen. Tricotkleding zeker niet in een wasdroger drogen. Overmatige krimp is veelal het resultaat. Tricotkleding altijd vlakliggend drogen. De stoffen zijn rekbaar en door het vochtgehalte gaat het doek tijdens het drogen makkelijk uithangen, hetgeen vervorming van het artikel tot gevolg heeft. Katoenen geweven kleding zoals hemden en broeken (jeans) altijd links gekeerd wassen. Het gevaar voor wasstrepen is aanwezig. Jassen e.d. met aangebrachte coatings zullen hun speciale effect, beoogd met de coating,langzamerhand verliezen. Chemisch reinigen is veelal aan te bevelen. Indien u ondanks de voorschriften stropdassen, colberts, gilettes en dergelijke toch zelf wilt wassen, houdt er dan zeker rekening mee dat de in de artikelen gebruikte vliseline (ter versteviging aangebracht) en andersoortige materialen gaan losraken en verfrommelen, waardoor het artikel zeker uit model zal geraken. Prints nooit strijken. De inkt blijft aan het strijkijzer plakken. Borduringen kunnen met een perslap licht gestreken worden. Ribboorden aan truien en dergelijke nooit met een strijkijzer strijken. De rek kan er geheel uit gaan.